Pluisken

Het achterwaarts gaan

Het achterwaarts laten gaan is een verzamelende oefening en verbeterd de buiging van de gewrichten van de achterhand en de opwelving van de rug.
In tegenstelling tot de stap heeft het paard bij het achterwaarts gaan geen viertakt, maar een tweetakt. Net als in de draf bewegen zich de diagonaal tegenoverstaande benen tegelijk, zonder de zweeffase van de draf.

Zoals bij vele oefeningen en hulpen reageren ook (jonge) paarden gemakkelijk op de hulpgeving voor het achterwaarts gaan. Toch blijkt het een oefening die vele ruiters kopzorgen baart en zijn er bijna talloze manieren te vinden op het internet.
Ik vind het belangrijk hulpen te gebruiken die als het ware ‘van nature’ werken. Niet omdat ik een paard bepaalde woorden/bevelen en knopjes heb aangeleerd, maar omdat het van nature reageert op mijn hulpen.

Bedenk dat het achterwaarts gaan een vrij vermoeiende oefening is voor het paard. Het paard moet de rug omhoog brengen en het bekken kantelen. Daarbij een ruiter dragen en het evenwicht houden is moeilijk. Ten tweede kan het dominante paard wat tegendraads reageren omdat het achterwaarts gaan een teken van onderwerping is. Om die reden wordt het achterwaarts gaan ook al eens als strafmiddel ingezet, wat niet aan te raden is, als men een fijne samenwerking zoekt met het paard.

Voor deze oefening is er weinig plaats nodig en je kan ze opvragen waar je wil, zoals bvb ook buiten op wandeling. Voor onervaren ruiters en paarden kan de begrenzing van een muur of hek aan de buitenpiste van nut zijn om te beginnen. Ook een optische begrenzing d.m.v. een balk op de grond kan helpen.

Er zijn vele manieren te vinden over de hulpgeving voor het achterwaarts gaan. De best functionerende manier is rustig de volgende stappen te doen. Het paard vanuit een actieve stap met ophoudingen laten halthouden en zo trachten het paard al (bijna) vierkant te laten halthouden. Zo krijg je de nodige aandacht en is er een goede en voorwaartse reactie op de hulpen. (Vergeet niet zacht na te geven met de hand). Neem dan het contact op via de teugels (niet trekken!), ga dan iets lichter zitten door het bovenlichaam een beetje naar voren te brengen, leg daarbij de onderbenen wat naar achter met een hele lichte en constante druk. Houd ook de knieën aangesloten. Heel eventueel moet je de voorwaartsbeweging opvangen met de teugels (weerom: niet trekken!), maar meestal is dat zelfs niet nodig. Let op de allerkleinte reactie. Dit kan gewoon een kleine gewichtsverplaatsing naar de achterhand zijn, hetgeen je vooral bij het aanleren al moet belonen. Ook wordt de ruiterhand weer onmiddellijk zacht bij de kleinste reactie. Al snel zal een eerste pas en een tweede en derde volgen, als je elke kleinste verbetering en vordering beloont. Durf je eigen fouten te vinden en verbeteren als het niet gaat en vergeet vooral niet onmiddellijk terug zacht te worden op de handen bij de eerste reactie, ookal verwacht je nog verdere stappen achterwaarts.
Mag het paard stoppen, geef je dezelfde hulpen als bij het halthouden. Je sluit je zit en benen. Dus je verlegt je benen terug tot net achter de singel en je zet je terug rechtop om dan je begrenzende hulpen te geven. Ondersteuning door de teugelhulpen is meestal niet nodig of werkt averechts. Voor de al te enthousiaste paarden kan het zelfs nodig zijn een voorwaartse hulp te geven.

Natuurlijk helpt het als je het achterwaarts gaan eerst bij het grondwerk oefent. Kies dan voor een kort stembevel, dat je bvb ook makkelijk gebruikt als het paard, om welke reden ook, eens achteruit moet gaan. Reageert je paard op lichaamstaal als je naast hem staat en gaat ie mee achteruit, als jij een pas achteruit doet, is dat een fijne manier. Kleine duwtjes op de borstkas werken ook goed, alsook een stokje of zweepje als optische begrenzing. Een voorzichtig duwen op de bovenkant van de neus is ook een optie, alhoewel ik die handeling voor een andere oefening gebruik en om verwarring te vermijden niet voor het achterwaarts gaan neem.
Het schudden van het (halster-)touw vind ik erg onvriendelijk en onbeleefd. Hiervan maak ik enkel gebruik als mijn merrie onbeleefd is tegen mij. Naargelang hoe verschietachtig een paard reageert op hand- en armbeweging, kan ook daarvan gebruik gemaakt worden om het paard achterwaarts te laten gaan.

Eenmaal het paard het stembevel kent maak je daarvan gebruik als je de ruiterhulpen geeft. Eerst de ruiterhulpen en daarbij – deels ter bevestiging voor het paard – het stembevel. Omgekeerd werkt natuurlijk ook, maar dan zal het paard de link niet zo snel leggen.

Fouten die moeten worden verbeterd:

  • Het paard gaat scheef. Kijk eerst of je als ruiter niet scheef zit of je hulpen ongelijk geeft.
    Leg een balk op de tweede/derde hoefslag als begrenzing en oefen ook het wijken, zodat het paard beter reageert op de zijwaartse verbetering die je kan geven als het paard scheef wil gaan. Als laatste middel kan het geven van stelling (in dezelfde richting als naar waar het paard scheef gaat) helpen de oefening te verbeteren. Dit laatste mag geen gewoonte worden.
  • Het paard treedt te hevig achterwaarts. Meestal komt dat door een gespannen rug. Oefen het achterwaarts gaan pas als het paard beter ontspannen is. Als een paard het achterwaarts gaan goed kent, kan het wel ondersteunend werken om de rug los te werken.
  • Het paard treedt met brede achterbenen achteruit. Het paard heeft nog te weinig balance en heeft het gevoel zijn evenwicht te verliezen. Stop even met het oefenen op achterwaarts gaan en train enkele weken op dat evenwicht onder de ruiter.
  • Het paard rolt zich op in de hals of steekt de neus in de lucht. De ruiter moet zachter zijn met de hand en sneller nageven als er druk ontstaan is als het paard zich oprolt. In het tweede geval kan het, behalve de ruiterhand, ook nog een balance-probleem zijn of gewoon onzekerheid van het paard. Reageer daar vooraleerst niet op, werk aan het evenwicht in het algemeen om dan te kijken of het probleem opgelost is bij het achterwaarts gaan.
  • Het paard gaat meer passen achteruit dan gevraagd. Als het paard de oefening goed heeft begrepen wordt het tijd, dat je als ruiter op voorhand bedenkt, hoeveel passen het paard achterwaarts moet gaan. Meer dan 6-8 passen lijkt voor het paard een strafmaatregel, dus een paardenlengte van max 5 passen is genoeg. Reageert het paard niet op de halthoudende hulpen, dan is het niet gehoorzaam en onoplettend op de ruiter. Consequent oefenen op overgangen in het algemeen en het oefenen van zijgangen kan hierbij helpen. Het paard meteen na het achterwaarts gaan in draf vooruit sturen kan ook een oplossing zijn.

Uiteraard zijn er altijd uitzonderingen en/of moeilijke gevallen. Laat je dan helpen door anderen vanaf de grond en door meer ervaren personen.
Het is geen moeilijke oefening en het is een mooie controle op al je werk samen.

Veel plezier bij het oefenen!
Sonja