Pluisken

Schouderbinnenwaarts – de aspirine van de rijkunst

Schulterherein1

Deze uitspraak kwam ik onlangs tegen en vond dit een grappige, maar ook zeer ware uitspraak.

Ik wil het deze keer dus hebben over de schouderbinnenwaarts. Deze oefening wordt in de dressuurproeven pas vanaf niveau 3 (M-proef) verwacht. Dit in tegenstelling tot de academische of klassieke rijkunst, waar er met de opleiding van deze oefening heel vroeg wordt gestart.

Deze verzamelende en losmakende scholing ondersteunt niet alleen de rugspieropbouw en de opleiding van alle andere zijgangen, maar speelt ook een beduidende rol in het rechtrichten van het paard.  (uitspraak van Alois Podhajsky)

Als het paard de schouderbinnenwaarts op beide kanten kan uitvoeren worden ook de soepelheid en de stuw- en draagkracht verbeterd. Het evenwicht tussen voorhand en achterhand, maar ook het zijwaartse evenwicht wordt verbeterd. De “goede” en “slechte” kant kan meer en meer worden gecompenseerd, de onafhankelijke zit van de ruiter bevorderd en daarmee kan het paard steeds beter worden rechtgericht. Hoe vroeger er wordt gestart met het oefenen voor schoudervoor en schouderbinnenwaarts als aanvulling op de goede basis, hoe beter.

Een verbazend fenomeen kan worden waargenomen, als een ruiter en zijn paard deze oefening samen leren. Ook al lukt het uitvoeren van de oefening nog niet en worden alle mogelijke fouten gemaakt, worden er toch kleine resultaten geboekt en dat willen net die resultaten zijn, die met deze scholing o.a. worden gewenst. Na de, deels frustrerende, mislukte poging kan de paardenrug toch beter ontspannen bvb. Of de voorhand beweegt vrijer, de aanleuning is beter, stuwkracht en/of Schwung zijn beter. Laat het een motivatie zijn om deze les steeds weer in het dagelijks werk in te bouwen en te verbeteren.

Geschiedenis

François Robinchon de la Guérinière (1688-1751)
De Fransman wordt over het algemeen als de vader van de schouderbinnenwaarts gezien. In zijn boek van 1733 schrijft hij over de schouderbinnenwaarts op de rechte lijn.

William Cavendish, Duke of Newcastle (1592-1676)
Zo’n 70 jaren eerder beschrijft Cavendish in zijn boek van 1685 het “hoofd in de volte”. Hij schrijft over het mobiliseren en verplaatsen van de schouders op de cirkel om het binnenachterbeen meer en meer in richting van verzameling te vragen. Eigenlijk werd er dus hier reeds over de schouderbinnenwaarts gesproken.

Gustav Steinbrecht (1808-1885)
Zijn boek “Gymnasium des Pferdes” hoort in elke goede paardrij-bibliotheek. Hij waarschuwde ervoor om de “inhoud” van de oefening te verwaarlozen ten voordele van de zijwaartse beweging.
Vrije vertaling: Het is foutief, als ruiters tijdens het beginnen van de training van schouderbinnenwaarts, hun paard met de binnen-spoor zijwaarts drijven, omdat ze geloven, wijken voor het been/spoor en overtreden (van de benen) zou het doel zijn van deze oefening…. Een juist schouderbinnenwaarts als fundament van de dressuur maakt de schouders en daarmee alle ledematen van het paard vrij, niet door de zijwaartsbeweging, maar door de buiging en verzameling, die hierbij gevolg zijn.

Zijn advies bij de training van de schouderbinnenwaarts is daarom de buiging in kleine stapjes te vergroten. Steinbrecht begon dus met de schoudervoor, waarbij de buitenste schouder maar in die mate van de buitenzijde wordt weggevoerd, totdat de binnenste schouder net voor de binnenste heup komt.

Vandaag

En vandaag? De schouderbinnenwaarts is een zijwaartsbeweging, waarbij het paard op 3 of 4 hoefslagen wordt gericht met de voorhand richting het midden van de piste. Door het zakken van de binnenste heup van het paard wordt het achterbeen meer gebogen, waardoor weerom de buitenste schouder wordt losgemaakt en zich gaat verheffen (eigenlijk beide schouders), omdat het binnenachterbeen meer last opneemt. De buitenste spieren worden uitgerekt, de nek losser, de verbinding met de binnenteugel wordt lichter.
Vindt een paard het moeilijk om zich naar de buitenteugel te strekken en deze aan te nemen, kan dit worden verbeterd door de schouderbinnenwaarts. De oefening in stap kan trouwens goed helpen bij gespannen/stijve paarden alsook bij het verbeteren van de balance.
De schouderbinnenwaarts helpt een recht aangaloperen en onregelmatigheden in de takt in draf te verbeteren.

Het oefenen

Vele (jonge) paarden beseffen nog niet, dat zij ook zijwaarts kunnen bewegen. Het aanleren van het wijken voor het been is zowel voor het paard als de ruiter een niet te onderschatten stap vóór het aanleren van de schoudervoor en schouderbinnenwaarts.
Let er bij het wijken op dat het paard wel degelijk op je been- en gewichtshulpen (of lichaamstaal bij grondwerk) reageert en niet over de buitenschouder wegvalt en daarbij teveel stelling geeft. Bij het wijken blijft het paard bijna recht in zijn lichaam en heeft maar een beetje stelling.
In tegenstelling tot schouderbinnenwaarts, waar het paard rond het binnenbeen plooit, leert het paard bij het wijken weg te gaan voor het lichtjes naar achter gelegde been.
Zowel bij het wijken als bij alle oefeningen is het belangrijk te onthouden, dat kwaliteit voor kwantiteit gaat. Liever telkens 2-3 goede passen, even ontspannen en eventueel herhalen, dan meteen een hele lange zijde te vragen. Dit kan de spieren overbelasten en verzuren en het paard zal met minder plezier werken. Natuurlijk is ook de beloning erg belangrijk. Voor 2-3 goede stappen kan je gemakkelijk enthousiast belonen. Vrij snel kan je dan steeds een stapje meer vragen.

Training vanaf de grond
In de academische rijkunst leert het paard alle zijgangen eerst tijdens grondwerk. Dit kan in stilstand als in beweging worden gevraagd. Heeft het paard de indirecte teugelhulpen begrepen, kunnen de schouders al in stilstand tussen de teugels worden bewogen. De ruiter staat naast het paard (om te beginnen meestal aan de binnenzijde) en heeft het paard in lichte stelling naar binnen. De ruiter leidt het gewicht naar het binnenvoorbeen door middel van de buitenteugel. En over de binnenteugel leidt de ruiter de schouders weer naar buiten. Het paard mag geen stap opzij doen, het gaat enkel om de gewichtsverplaatsing.
De eerste stap in richting schouderbinnenwaarts is dan het laten ondertreden. De ruiter kan het paard nu op een cirkel of op de hoefslag laten stappen. Door het wijzen met de zweep naar het binnenachterbeen leert het paard dit been meer onder het zwaartepunt te zetten.
Met de tijd wordt steeds meer buiging gevraagd en vertoont het paard eerst een schoudervoor. Vrij snel lukt dan een mooie schouderbinnenwaarts op 3 hoefslagen, die nog kan worden uitgebreid naar de schouderbinnenwaarts op 4 hoefslagen.
Ook andere benaderingen tijdens grondwerk kunnen voorbereidend werken voor de schouderbinnenwaarts onder de ruiter. Maar dieper hierop ingaan laat dit artikel waarschijnlijk helemaal uit de voegen barsten.

Training vanop het paard
Ik opteer voor het aanleren onder het zadel, omdat ik dan beter kan voelen wat het gehele paard doet en daarop beter kan reageren. Het kan ook van het paard afhangen om toch te kiezen voor het aanleren vanop de grond.
Maak een kleine volte in de hoek en werk met de hulpen die je voor de volte geeft zodat het paard gebogen loopt. Doe alsof je de volte nog eens wil rijden, maar van zodra de schouders van de hoefslag gaan, drijf je meer met het binnenbeen om het paard in deze buiging toch de hoefslag te laten volgen. De achterbenen lopen zoals altijd rechtdoor op de hoefslag, de voorbenen komen meer naar binnen op de tweede hoefslag en kruisen.

  • Het binnenbeen drijft op de singel en zorgt voor de eerste lengtebuiging. Dit gebeurt best op het moment dat het binnenachterbeen wordt opgetild. Het buitenbeen ligt achter de singel om het uitzwaaien van de achterhand te voorkomen.
  • De begrenzende buitenteugel leidt de schouders naar binnen. De buitenhand vangt dus de voorwaartsbeweging zacht op. Niet te verwarren met trekken of tegenhouden! De teugel ligt tegen de hals en fungeert zoals het buitenbeen: begrenzend. Toch moet de hand ook genoeg nageeflijk zijn om de stelling mogelijk te maken. Het paard wordt vooral korter aan de binnenzijde.
  • De ruiter zit iets meer op de binnenzitbeenknobbel ter ondersteuning van de buiging. Zijn bekken blijft parallel met het bekken van het paard – rechtdoor in de bewegingsrichting. Zijn schouders zijn ook gelijk met het paard en draaien mee naar binnen, zoals zijn hoofd.

Door het samenspel van het drijvende binnenbeen en de begrenzende buitenteugel wordt het paard gevraagd de schouders meer en meer naar binnen te brengen. Door deze hulpen wordt het binnenachterbeen gevraagd meer onder te treden.
De binnenteugel kan bij het aanleren van de schouderbinnenwaarts meehelpen door zacht stelling te vragen.  Als het paard de oefening al redelijk begrijpt zal de ruiter de verzamelende effecten beginnen voelen. De binnenteugel verliest (bijna) contact en blijkt (bijna) overbodig. Op termijn reageert het paard vooral op het drijvende binnenbeen met buiging en stelling en worden de teugelhulpen minder belangrijk.

Beëindig de oefening door de schouders terug recht voor de achterhand te plaatsen of door over te gaan naar een gebogen lijn, zoals een volte.
Het vragen van de schouderbinnenwaarts op gebogen lijnen en op de tweede hoefslag of een andere lijn in de piste is niet alleen een stijging in moeilijkheid, maar ook een test of het paard een goed evenwicht heeft. Daarbovenop kan je gaan wisselen met andere zijgangen op de gebogen lijn om draagvermogen en evenwicht te verbeteren.

Vaak voorkomende problemen

Hou in het achterhoofd: ookal gaat er nog vanalles mis, verbetert het proces van het aanleren van de schouderbinnenwaarts de gehele bewegingsafloop van het paard. Werk aan het verbeteren van de fouten, zonder ze als zware fout te zien.

  • Een achter de singel liggend en drijvend binnenbeen. Er wordt gedacht dat de achterhand naar buiten en zijwaarts moet worden gedreven. Hierdoor gaat de buiging verloren, de achterbenen gaan kruisen en door het uitzwaaien van de achterhand gaat elk verzamelend effect verloren.
  • De stelling en buiging vooral met de binnenteugel vragen en vasthouden. Hierdoor wordt echter het binnenachterbeen geblokkeerd en is de kans groot dat het paard over de buitenschouder wegvalt. Ook hier gaat elk verzamelend effect verloren.
  • Te veel stelling wordt toegelaten. Is er teveel stelling valt het paard over de buitenschouder en gaat kantelen in het hoofd. De stelling moet evenredig zijn met de buiging in het lichaam.
  • Een inknikken in de taille van de ruiter en/of een teveel gewicht zetten op de buitenzitbeenknobbel.
    Hierbij moet wel worden gezegd, dat in sommige gevallen het verplaatsen van het ruitergewicht naar de buitenzitbeenknobbel het paard kan helpen de oefening te leren begrijpen. De 2 binnenbenen van het paard worden al sterker gevraagd in een zijwaartse en dragende beweging. Een bijkomend ruitergewicht kan dan net iets teveel zijn. Nadat het paard de oefening beter kan uitvoeren kan het ruitergewicht weer meer op de binnenzitbeenknobbel worden verplaatst om het binnenachterbeen aan te sporen naar het zwaartepunt te treden en de buitenspieren te ontlasten.
  • Het omhoogtrekken van het binnenbeen bij het drijven. Ook hierbij gaat het ruitergewicht naar buiten.
  • Te weinig begrenzing met het buitenbeen, waardoor de achterhand uitzwaait en het paard zich onttrekt van de buiging in het lichaam en de belasting van het binnenachterbeen.

Het leuke aan de schouderbinnenwaarts is, dat zowel het paard als de ruiter enorm veel leren hierbij en de deur naar moeilijkere oefeningen geopend wordt. Het aanleren van de andere zijgangen lijkt kinderspel.

 

 

Veel plezier!

Sonja